Ik heb mijn hele leven al van gedichten gehouden. Het begon met kleine gedichtjes, Sinterklaas gedichten en gedichten bij het vak Nederlands op de middelbare school. Dichtbundels hebben iets moois; kort en bondig een hele rijke tekst neerzetten, dat vind ik mooi! Ik lees ze nog steeds graag. Onder mijn favoriete dichters vallen : Ida Gerhardt, Gerrit Achterberg, Jan Hanlo, J.C. Bloem, Marjolein Kool.
Hierbij een paar van mijn  favorieten:

het carillon

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, –
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius : – een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luistr’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Oorlogsjaar 1941

Ida Gerhardt

schrijver

 

 

Werkster

Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.

Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.

God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met haar stoffer op het blik.

Symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods – en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.

Gerrit Achterberg

schrijver

 

Regen regen

Regen regen
allerwegen
rechte stralen
water water
langs de muren
langs de palen
vallen vallen
langs de bomen
natte auto’s
gaan en komen
loodrecht op de
druppelzegen
Overal is regen regen

———————————–
uit: ‘Verzamelde gedichten’, 2006.

Jan Hanlo

schrijver

 

Paard

‘Hé luister Pap, mag ik een paard?
Ik wil een paard!’ zei Johnny.
‘Een grote met zo’n lange staart.
Een paard hoor, ‘k wil geen pony.

Als ik vandaag de auto was
en ’t bankstel niet zal slopen
en ‘k word de beste van de klas,
mag ik dat paard dan kopen?

Als ik nou nooit meer nagels bijt,
geen ruzie maak met Maartje
en zoet naar bed ga, mooi op tijd,
hè, mag ik dan een paardje?

Dan wil ik ook een paardestal
met van die halve deuren.
Want ons balkon is veel te smal.’
Zo bleef dat joch maar zeuren.

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
Zijn vader had geen leven.
Die heeft hem dus, ten einde raad,
een flinke hengst gegeven.

 

http://www.onderzoek.hu.nl/~/media/lll/images/afwijkend/personen/onderzoekers/marjolein-kool.jpg?h=180&la=nl&w=120

Marjolein Kool